Het kabinet wil scherper zicht krijgen op de taken die gemeenten en provincies uitvoeren voor het Rijk.
In een recente Kamerbrief kondigt minister Rijkaart van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan dat er een nadere verkenning komt naar betere monitoring van zogenoemde medebewindstaken. Volgens het kabinet is dat nodig omdat er al langer signalen zijn dat de balans tussen taken, middelen en uitvoeringskracht onder druk staat. Gemeenten en provincies staan dicht bij inwoners en weten vaak precies wat er speelt, maar voelen zich regelmatig overvraagd. Met betere monitoring wil het kabinet het gesprek hierover verbeteren, zonder de lokale beleidsvrijheid verder in te perken.
Kabinetsreactie op adviezen van de ROB
De aanleiding voor deze stap ligt in twee adviezen van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB): Afrekenen met disbalans uit maart 2025 en Meters maken met medebewind uit juli 2025. In deze rapporten schetst de ROB een duidelijk beeld: er is sprake van een groeiende disbalans tussen de taken die gemeenten en provincies uitvoeren, de bevoegdheden die zij daarbij hebben en de financiële middelen die beschikbaar zijn.
Volgens de ROB leidt die scheefgroei tot frictie. Ministers kunnen minder goed sturen op landelijke doelen, terwijl medeoverheden moeite hebben om taken effectief en doelmatig uit te voeren. De raad adviseert daarom om eindelijk eens een compleet en actueel overzicht te maken van alle medebewindstaken. Dat overzicht moet vervolgens structureel worden gebruikt om te toetsen of ambities, bekostiging, bevoegdheden en risico’s wel met elkaar in evenwicht zijn.
Gemeenten en provincies onder druk
Minister Rijkaart erkent in de Kamerbrief dat gemeenten en provincies veel werk verzetten namens het Rijk. Zij zijn verantwoordelijk voor uiteenlopende beleidsterreinen, van jeugdzorg en participatie tot ruimtelijke ordening en milieutaken. Juist omdat zij dicht bij de samenleving staan, worden zij vaak als eerste aangesproken op problemen.
Tegelijkertijd geven gemeenten en provincies al jaren aan dat zij niet altijd de middelen of uitvoeringskracht hebben om deze taken goed uit te voeren. Nieuwe taken komen erbij, bestaande taken worden complexer en de financiële kaders zijn niet altijd even helder. Volgens de minister hapert het systeem daardoor steeds vaker. Dat is niet alleen vervelend voor bestuurders, maar raakt uiteindelijk ook inwoners en ondernemers.
Beter zicht zonder extra bemoeienis
Het kabinet benadrukt dat betere monitoring niet betekent dat het Rijk zich inhoudelijk meer gaat bemoeien met lokaal beleid. Integendeel, meer gedetailleerde sturing vanuit Den Haag wordt juist gezien als onwenselijk. Die zou leiden tot minder decentrale beleidsvrijheid en meer bureaucratie, iets waar niemand op zit te wachten.
De inzet is daarom om beter zicht te krijgen op de werking van het systeem als geheel. Door gezamenlijk te kijken naar taken, middelen en uitvoeringskracht kan het gesprek tussen Rijk en medeoverheden inhoudelijker en eerlijker worden gevoerd. Monitoring wordt daarbij gezien als hulpmiddel, niet als controlemiddel.
Verkenning samen met koepelorganisaties
In de komende maanden gaat het kabinet in gesprek met de koepelorganisaties van gemeenten en provincies, zoals de VNG en het IPO. Samen wordt verkend hoe betere monitoring van medebewindstaken kan bijdragen aan een gezondere balans. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar wat al beschikbaar is, zodat het wiel niet opnieuw hoeft te worden uitgevonden.
Zo wil het kabinet gebruikmaken van bestaande onderzoeken op specifieke beleidsterreinen. Denk aan evaluaties in het sociaal domein of analyses van uitvoeringsproblemen bij milieutaken. Ook de nieuwe uitkeringsvorm, de Bijzondere Fondsuitkering (BFU), wordt genoemd als mogelijk instrument om beter inzicht te krijgen in de relatie tussen taken en financiering.
Rol van de wetgever bij medebewindstaken
De ROB wijst in haar adviezen ook nadrukkelijk naar de rol van de wetgever. Volgens de raad ligt daar een belangrijke verantwoordelijkheid om helderheid te scheppen. Zolang niet duidelijk is welke medebewindstaken gemeenten precies hebben, blijft het lastig om structureel te sturen op balans.
Het kabinet onderschrijft dat punt gedeeltelijk. Door beter te monitoren kan de wetgever signalen eerder oppikken en bij nieuwe wetgeving realistischer keuzes maken. Dat kan helpen om te voorkomen dat gemeenten en provincies worden opgezadeld met ambities die niet uitvoerbaar of onvoldoende gefinancierd zijn.
Monitoring als basis voor beter gesprek
De kern van de kabinetsreactie is dat monitoring geen doel op zich is, maar een middel om het gesprek te verbeteren. Door feiten en ervaringen beter in beeld te brengen, kunnen Rijk en medeoverheden elkaar beter begrijpen. Dat maakt het makkelijker om knelpunten te benoemen en gezamenlijk oplossingen te zoeken.
Volgens minister Rijkaart gaat het daarbij niet alleen om geld. Ook bevoegdheden, risico’s en uitvoeringscapaciteit spelen een grote rol. Pas als al die elementen samen worden bekeken, ontstaat er een realistisch beeld van wat gemeenten en provincies aankunnen.
Vooruitblik op vervolgstappen
De aangekondigde verkenning is geen eindpunt, maar een eerste stap. Op basis van de gesprekken en analyses zal het kabinet later bepalen welke vervolgstappen nodig zijn. Dat kan variëren van aanpassingen in werkwijzen tot mogelijk beleids- of wetswijzigingen.
Voor nu is de boodschap duidelijk: het kabinet erkent de signalen uit het veld en wil samen met gemeenten en provincies werken aan een beter functionerend systeem. Door betere monitoring hoopt het Rijk niet alleen meer grip te krijgen, maar vooral ook meer vertrouwen en evenwicht te creëren in de samenwerking met medeoverheden.

