Het kabinet wil zelfstandigen beter beschermen tegen de financiële gevolgen van langdurige ziekte of een ongeval.
Daarom komt er een betaalbare basisverzekering voor arbeidsongeschiktheid. Met deze regeling wil de overheid voorkomen dat ondernemers zonder inkomen komen te zitten als zij niet meer kunnen werken. De nieuwe verzekering moet vooral een vangnet zijn voor zelfstandigen die zich nu niet kunnen verzekeren, bijvoorbeeld door hun leeftijd, gezondheid of hoge premies bij particuliere verzekeraars. De premie blijft relatief laag en wordt gemaximeerd op €171 per maand.
Een sociaal vangnet voor zelfstandigen
Zelfstandig ondernemen betekent vrijheid en flexibiliteit, maar brengt ook risico’s met zich mee. Eén van de grootste risico’s is arbeidsongeschiktheid. Wanneer een zelfstandige langdurig ziek wordt of een ernstig ongeluk krijgt, valt het inkomen vaak direct weg. In tegenstelling tot werknemers hebben zzp’ers namelijk geen werkgever die loon doorbetaalt bij ziekte.
Het kabinet wil met de nieuwe basisverzekering voorkomen dat zelfstandigen financieel in de problemen komen als zij niet meer kunnen werken. De regeling biedt een minimale inkomensbescherming tot aan de AOW-leeftijd. Wanneer iemand langdurig arbeidsongeschikt raakt, kan hij via deze verzekering een uitkering ontvangen die maximaal gelijk is aan het minimumloon.
Volgens minister van Werk en Participatie Thierry Aartsen is het doel duidelijk: “zelfstandigen moeten de vrijheid houden om te ondernemen, maar tegelijkertijd moet er een vangnet zijn om armoede te voorkomen. De basisverzekering is daarom bewust beperkt gehouden, zodat de premie betaalbaar blijft voor ondernemers.”
Veel zelfstandigen zijn nu niet verzekerd
Een belangrijke reden voor de invoering van deze verzekering is dat een groot deel van de zelfstandigen momenteel geen arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft. Naar schatting is ongeveer driekwart van de zzp’ers niet verzekerd tegen inkomensverlies door ziekte of een ongeval. Vaak komt dit doordat de premie van particuliere verzekeringen hoog is of omdat ondernemers vanwege hun gezondheid moeilijk worden geaccepteerd. Hierdoor lopen veel zelfstandigen een groot financieel risico. Als zij langdurig ziek worden, moeten zij vaak terugvallen op spaargeld of uiteindelijk op de bijstand. De nieuwe basisverzekering moet dit probleem gedeeltelijk oplossen door een minimale bescherming voor iedereen toegankelijk te maken.
Premie van maximaal €171 per maand
De premie voor de basisverzekering wordt gekoppeld aan de winst van de ondernemer. Zelfstandigen betalen 5,4 procent van hun winst als premie. Hoe minder winst iemand maakt, hoe lager het bedrag dat hij betaalt. Om de verzekering betaalbaar te houden is er een maximumbedrag vastgesteld. De premie zal volgens de huidige berekeningen niet hoger worden dan €171 bruto per maand. Dit bedrag is gebaseerd op het wettelijk minimumloon van 2025 en wordt in de toekomst geïndexeerd wanneer het minimumloon stijgt. Voor veel zelfstandigen betekent dit dat zij minder betalen dan bij een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Tegelijkertijd blijft het een basisvoorziening. Ondernemers die meer zekerheid of een hogere uitkering willen, kunnen zich aanvullend privé verzekeren.
Niet voor alle ondernemers verplicht
Hoewel de regeling breed wordt ingevoerd, geldt de basisverzekering niet voor iedereen. Sommige zelfstandigen vallen buiten de regeling omdat zij al voldoende verzekerd zijn.
De verzekering is bijvoorbeeld niet nodig voor:
- zelfstandigen met een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering
- directeur-grootaandeelhouders met een eigen bv
- ondernemers die naast hun zelfstandige werk ook in loondienst werken en via hun werkgever verzekerd zijn
Deze groepen hebben namelijk al een vorm van inkomensbescherming bij ziekte of arbeidsongeschiktheid.
Het kabinet wil hiermee voorkomen dat ondernemers dubbel verzekerd raken of onnodig premie moeten betalen.
Wachttijd van twee jaar bij arbeidsongeschiktheid
Een belangrijk onderdeel van de regeling is de wachttijd. Wanneer een zelfstandige arbeidsongeschikt raakt, krijgt hij niet direct een uitkering uit de basisverzekering. Er geldt namelijk een wachttijd van twee jaar voordat de uitkering ingaat. Dat betekent dat ondernemers de eerste 24 maanden zelf hun inkomensverlies moeten opvangen. Dit kan bijvoorbeeld met spaargeld, een broodfonds, een partnerinkomen of een aanvullende verzekering. Pas na deze periode kan de verzekering een uitkering bieden tot maximaal het minimumloon. De wachttijd is bewust zo lang gekozen. Hierdoor blijft de premie lager. Tegelijkertijd stimuleert het ondernemers om zelf een financiële buffer op te bouwen.
Basisbescherming, geen volledige inkomensgarantie
Het kabinet benadrukt dat de nieuwe regeling vooral bedoeld is als basisbescherming. De verzekering voorkomt dat zelfstandigen zonder inkomen komen te zitten, maar biedt geen volledige inkomensgarantie. De uitkering ligt namelijk maximaal op het niveau van het minimumloon. Ondernemers die een hoger inkomen hebben, kunnen dus nog steeds te maken krijgen met een flinke inkomensdaling wanneer zij arbeidsongeschikt raken. Daarom blijft het voor veel zelfstandigen verstandig om aanvullende maatregelen te nemen. Denk bijvoorbeeld aan een particuliere verzekering, een eigen financiële buffer of deelname aan een broodfonds. De basisverzekering vormt dan het fundament, terwijl andere voorzieningen extra zekerheid kunnen bieden.
Stap richting meer zekerheid voor ondernemers
Met de invoering van deze basisverzekering zet het kabinet een belangrijke stap richting meer financiële zekerheid voor zelfstandigen. De regeling probeert een balans te vinden tussen ondernemingsvrijheid en sociale bescherming.
Zelfstandigen behouden de ruimte om hun eigen keuzes te maken, maar krijgen tegelijkertijd een minimale bescherming tegen de grootste financiële risico’s van ondernemerschap. Vooral voor ondernemers die zich nu moeilijk kunnen verzekeren, kan deze basisverzekering een belangrijk vangnet worden.

